Bestuurdersaansprakelijkheid van de andere, al dan niet papieren bestuurder(s)

To be or not to be: Ook een andere (dan de handelende) bestuurder is een aansprakelijk te stellen bestuurder

 

Er wordt veel geschreven over bestuurdersaansprakelijkheid, maar veelal blijft daarbij onduidelijk hoe het met de aansprakelijkheid van die ándere bestuurder is gesteld, die door een derde (een toeleverancier, een klant of een andere gedupeerde) wordt aangesproken, terwijl deze bestuurder niet de bestuurder was die rechtstreeks met deze derde heeft gehandeld. En indien deze “andere” bestuurder een rechtspersoon (vennootschap) betreft, bijvoorbeeld de holding van een aandeelhouder of een trustmaatschappij, die zich met de gang van zaken binnen het bedrijf ogenschijnlijk niet of vrijwel niet bezighield, gelden dan voor deze dezelfde maatstaven?

 

Simpel gezegd (de details zijn helaas veel weerbarstiger) komt het erop neer dat een bestuur, dat uit meerdere personen bestaat, als groep intern, dus jegens de vennootschap zelf, verantwoordelijk is voor het (ook: verkeerd) gevoerde bestuur. Dus als de vennootschap (of haar curator in geval van faillissement) het bestuur aanspreekt, is ieder lid van dat bestuur in principe hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk, tenzij dit lid kan bewijzen dat hem of haar geen blaam trof.

 

Maar hoe ligt dat dan extern, ten opzichte van derden?

Om als derde met succes een dergelijke bestuurder, naast de bestuurder met wie direct werd gehandeld, aan te kunnen spreken, moet deze derde bewijzen dat ook deze specifieke bestuurder blaam treft, een persoonlijk ernstig verwijt gemaakt kan worden.

Dat is voor de derde dus lastiger dan voor de (vertegenwoordiger van) de vennootschap zelf.

Maar voor het bewijzen van die aansprakelijkheid wordt dan, naast álle overige omstandigheden van het specifieke geval, wel meegewogen het feit van de bovenomschreven collegiale bestuursverantwoordelijkheid. Kan deze andere bestuurder niet bewijzen dat er voor dit handelen door de handelend bestuurder een taakverdeling mocht worden gemaakt en ook wérd gemaakt, dan is in principe voldoende het bewijs van “je zag het of je had het moeten zien en moeten ingrijpen”. Het verweer dat deze bestuurder slechts een andere (bovendien: papieren) persoon was en zich met de dagelijkse gang van zaken niet bezighield wordt niet gehonoreerd: je bent bestuurder (en dan ook helemaal) of je bent het niet, to be or not to be.

Op 30 maart a.s. doet de Hoge Raad uitspraak in een mede door mij aanhangig gemaakt geding waarin deze vraag over de aansprakelijkheid van de betreffende andere (papieren) bestuurder aan de orde komt en ik zal u de uitslag ervan mededelen in een separaat opvolgend blog.